Steengoed werd gemaakt van een kleisoort die op een zeer hoge temperatuur, tussen 1150 en 1350 graden, werd gebakken. Verglazing is het gevolg. De klei wordt letterlijk steenhard en laat geen water meer door. Het eerste Europese steengoed dateert van rond het jaar 1000 en werd geglazuurd met leemglazuur, waaraan loodoxide werd toegevoegd. Meestal werd zoutglazuur gebruikt: door eenvoudigweg een hand vol zout in de bakoven te werpen.
De klei werd gewonnen in de omgeving van Siegburg, vandaar de naam 'Siegburg steengoed'. Halverwege de veertiende eeuw bevond zich in het Rijnland een grote industrie voor steengoedkannen.

