Aan het Lange Voorhout 8, op de hoek met de Kleine Kazernestraat, woonde Maria Duyst van Voorhout. Deze vermogende dame van stand erfde het pand dat oorspronkelijk aan de familie Duyck had toebehoord. In 1685 trouwde ze met Frederik Adriaan, baron van Reede, vrijheer van Renswoude. Frederik was staatsman: gedelegeerde van de Staten van Utrecht bij de Staten Generaal in Den Haag. Het kwam hem goed uit dat zijn vrouw het grote pand aan het Lange Voorhout had geërfd. In de achttiende eeuw kwamen de bestuurders van alle Staten alleen voor zaken van algemeen belang bij elkaar in Den Haag.

Maria was een spil waarom het Haagse societyleven draaide: ze hield regelmatig “salon” en ontving allerlei notabelen. Het porselein, de vele wijnflessen en het dure glaswerk uit de beerput achter het huis zijn waarschijnlijk van haar afkomstig.

Wijnflessen uit de zeventiende eeuw
Na Frederiks overlijden in 1739 bleef Maria alleen achter. ‘s Winters woonde ze in het huis van de Van Reedes in Utrecht, maar ze verbleef ook vaak in haar geboortestad Delft. Het grote huis aan het Lange Voorhout fungeerde als zomerverblijf. In 1757 werd het pand gekocht door de stad Gouda. Tot 1795 was het een logement voor de afgevaardigden van de Staten van Holland.



