Omstreeks 1400 werd begonnen met de bouw van de Kloosterkerk. Een paar jaar later verrezen er achter de kerk kloostergebouwen, bestemd voor Dominicaner monniken. Deze bedelorde predikte armoede en was afhankelijk van aalmoezen. De monniken bezaten geen landerijen of andere middelen om in hun eigen onderhoud te voorzien. Ze moesten leven van wat zij aangeboden kregen. Deze zogenaamde bedelorden kozen daarom de steden als vestigingsplaats: daar woonden veel mensen bij elkaar. Ze konden in hun levensbehoeften voorzien door te bedelen, onderwijs te geven, zieken te verzorgen en te prediken.
Margaretha van Kleef schonk hun in 1404 de voormalige woning van de familie Van Arkel ter uitbreiding van het klooster.
Woelige tijden
Het klooster stond in hoog aanzien en kon rekenen op de nodige giften. Veel van deze begunstigers lieten praalgraven maken in de kerk. Helaas is daar niets van over, waarschijnlijk het gevolg van de Beeldenstorm.

Schoolplaat 'In een middeleeuws klooster', J.H. Isings
Maaltijden
Driemaal per dag werd er gegeten in het klooster aan het Lange Voorhout. Het ontbijt bestond meestal uit de restjes van de vorige dag, met oud brood en bier om het weg te spoelen. Dat bier bevatte weinig alcohol en werd gedronken uit steengoedkannen. Wijn dronk men uit kleine aardewerkschaaltjes en uit glazen. Water dronk men niet vanwege de kans op ziektes.
Drinkschaaltje voor wijn
De belangrijkste maaltijd van de dag was het noenmaal, het middagmaal: een stoofpot van groenten, kruiden en specerijen met brood, boter en zout erbij. Ook bij het middagmaal dronk men bier.
Met het avondmaal werd de dag afgesloten. Die maaltijd was eenvoudig en bestond uit brood, boter en een brei van restjes van het middagmaal als beleg. Uiteraard dronk men er weer een biertje bij.

Dit armenloodje komt uit de monnikentijd. Dergelijke muntjes werden aan de armen uitgedeeld. Ze konden deze inleveren tegen brood of graan. Een tweekoppige adelaar, embleem van het Bourgondische Rijk, versiert het muntje.



