Mangrovebossen komen voor bij ondiepe, modderige kusten in tropische en subtropische gebieden. Ze vormen een belangrijke overgang tussen land en zee. Vissen gaan naar de mangroven om kuit te schieten, stormvloeden verliezen er hun kracht, broedvogels uit het hoge noorden overwinteren er. Vooral bij eb is een mangrovebos geheimzinnig, met die wirwar van wortels, bizarre dieren, zuigende geluiden en zoemende insecten. De hete, vochtige atmosfeer, de lucht van rottende, zoutige modder, de leerachtige bladeren, de omhoog priemende ademwortels; alles bij elkaar zorgt voor een spannende, vreemde sfeer. Nat en droog, zout en zoet – zeedieren krijgen in de mangroven bij eb te maken met uitdrogingsverschijnselen. Dieren en planten die van oorsprong op het land thuishoren, worden hier elke twaalf uur bloot gesteld aan zout water. In de mangroven hebben dieren en planten zich aan de sterk wisselende omstandigheden moeten aanpassen.





