Het klimaat op de aarde is een subtiel samenspel van land, vegetatie, sneeuw en gletsjers, zeeën en oceanen en de atmosfeer. Zonder wind en oceaanstromingen, die een belangrijke rol bij de verdeling van de warmte over de aarde spelen, zou het temperatuurverschil tussen de tropen en de polen nog groter zijn. Planten nemen kooldioxide (CO2) op, de oceaan neemt warmte op, ijskappen en woestijnen weerkaatsen zonnestraling sterker dan bos of toendra en smeltend ijs maakt de oceaan minder zout. Deze processen kunnen elkaar versterken of juist verzwakken. Een opwarming van de oceaan heeft een grotere verdamping tot gevolg en versterkt zo het broeikaseffect en dus de opwarming van de oceaan. Maar de extra verdamping die optreedt als de oceaan warmer wordt, onttrekt ook warmte aan de oceaan en heeft daardoor een koelende werking op het zeewater. Zo zijn er tal van effecten die elkaar beïnvloeden. Daardoor is het uiterst moeilijk om te doorzien hoe verstoringen in het klimaatsysteem doorwerken. Deze complexe wisselwerking van verschillende factoren heeft in de loop der millennia geregeld voor klimaatverandering gezorgd. In de afgelopen eeuw is de mens er als factor van belang bij gekomen. Door industrie, ontbossing en verkeer brengt hij extra broeikasgassen in de atmosfeer, wat naar alle waarschijnlijkheid een warmer klimaat en meer neerslag tot gevolg zal hebben. Door klimaatveranderingen veranderen levensomstandigheden en natuurlijke habitats. Veranderingen in habitats hebben tot gevolg dat soorten zich verplaatsen of aanpassen. Maar als dat niet meer mogelijk is, sterven ze uit.





