Bij het begin van het Cambrium, 542 miljoen jaar geleden, zijn vrijwel alle diergroepen die we nu nog kennen zoals wormen, schelpdieren, geleedpotigen en de eerste gewervelde dieren aanwezig in de oceanen. De eerste vissen, zo’n 540 miljoen jaar geleden ontstaan, hebben geen kaken, maar wel kieuwen. Hun mond is klein en beter geschikt voor het eten van klein voedsel zoals wieren die ze van de stenen schrapen.

Van alle uitgestorven grotere diergroepen zijn trilobieten verreweg het meest soortenrijk. Er zijn nu ongeveer 15.000 soorten bekend.
Sommige dieren jagen actief, andere graven gangenstelsels in de bodem van de zee. Als het aantal rovers in zee toeneemt, krijgen sommige vissen bescherming door pantserplaten en schubben. Rovers ontwikkelen steeds slimmere wapens en de niet-rovers antwoorden met steeds slimmere manieren om zich hiertegen te beschermen. Zo wordt de wapenwedloop van het dierenrijk in gang gezet die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Het land is nog leeg, alleen langs de boorden van de zee groeien wieren.
Een graatloze vis als voorloper
Lancetvisje. Foto: Hans Hillewaert / CC
Lancetvisjes zijn botloze diertjes. Ingegraven in de zeebodem filteren ze plankton uit het water met hun kieuwen. Ze hebben geen hard skelet. Lancetvisjes hebben veel weg van de Pikaia, een vis die meer dan 500 miljoen jaar geleden leeft. Pikaia hoort samen met het lancetvisje thuis in de groep van organismen met een chorda, een doorzichtige met vloeistof gevulde buis die langs de rug loopt. Uit deze groep zijn alle gewervelde dieren voortgekomen. Ook wij.



